Akorda Onderwijsdienstverlening
Akorda Onderwijsdienstverlening
In het vorige nummer van Akorda Actueel hebben wij aandacht geschonken aan de aangepaste Code Goed Bestuur. Daarbij werd al zijdelings ingegaan op de invoering van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR).

De WBTR is op 1 januari 2021 ingevoerd. Deze algemene wet heeft ook gevolgen voor bestuurders en intern toezichthouders. De gevolgen maken echter niet dat u direct actie hoeft te ondernemen. Het is wel van belang om in uw achterhoofd te houden dat er, bij bijvoorbeeld omzetting van rechtspersoonlijkheid van een vereniging naar een stichting of een andersoortige statutenwijziging mogelijk nog aanpassingen dienen plaats te vinden.

Een van de punten van aandacht die uit de invoering van de WBTR naar voren komt, is het feit dat in de statutaire doelstelling van veel stichtingen en verenigingen het publieke belang niet expliciet benoemd wordt. Vanuit dat kader is het verstandig om in de doelomschrijving in de statuten voortaan op te laten nemen dat het doel is het doen, het geven en bevorderen van primair onderwijs in de zin van de WPO en/of andere onderwijswetten in [toepasselijke geografische aanduiding”]. Het publieke belang wordt, conform het advies van de PO Raad, in dit voorbeeld onderdeel van het statutaire doel en daarmee onderdeel van het doel van de stichting of de vereniging zelf. Hiermee krijgen bestuurders meer speelruimte om ook het publieke belang bij hun besluitvorming te betrekken. Verder is het verstandig om, voor zover nog niet aan de orde, in de statuten te verwijzen naar de mogelijkheid om samen te werken met andere onderwijsinstellingen.

Met de invoering van de WBTR wordt, naast Code Goed Bestuur, ook wettelijk vastgelegd dat een bestuurder geen besluiten mag nemen wanneer hij/zij een tegenstrijdig belang heeft. Indien het bestuur door tegenstrijdig belang van alle bestuurders of de enige bestuurder geen besluit mag nemen, moet het intern toezicht het besluit nemen. Wanneer er sprake is van een meerhoofdig bestuur, is het mogelijk om het intern toezicht een goedkeuringsbevoegdheid te geven voor het besluit van de overgebleven bestuurder(s). Voor meerhoofdige besturen is het vanuit dat perspectief van belang om vast te stellen of het intern toezicht een (goedkeurende) rol in de statuten moet krijgen wanneer er bij een besluit sprake is van een tegenstrijdig belang van een van de bestuurders.

Na invoering van de WBTR moeten de statuten van elke stichting en vereniging op termijn een belet en ontstentenisregeling bevatten. Bij een meerhoofdig bestuur is het ook mogelijk een regeling op te stellen voor belet of ontstentenis van een van de bestuurders. Statuten bepalen vaak in dat geval dat de overgebleven bestuurders voorzien in het gehele bestuur. Een alternatief is om het intern toezicht in deze situatie een (goedkeurende) rol te geven en hier een bewuste keuze in te maken.

Na invoering van de WBTR zijn bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor tekorten in een faillissement als zij hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van een faillissement. In dat kader is het wijs om te controleren of de uitbreiding van de aansprakelijkheid valt onder de dekking van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Uiteraard dekt de verzekering gevallen van opzet of grove schuld of het niet voldoen aan de verplichten voortvloeiend uit de wet niet.

Tot nu toe was het alleen mogelijk voor de rechter om het verzoek tot ontslag van een bestuurder toe te kennen wanneer sprake was van financieel wanbeheer of handelen in strijd met de wet of met de statuten, maar ook in het kader van een vertrouwensbreuk was ontslag al mogelijk (denk bijvoorbeeld aan fraude).

Met invoering van de WBTR worden deze toewijzingsmogelijkheden verruimd. Indien de publieke taak, zoals het geven van onderwijs, door het handelen van de bestuurder in het geding komt, zou dat een ontslaggrond kunnen opleveren. De verwachting is echter nog steeds dat rechters niet snel over zullen gaan tot toewijzing van een ontslagverzoek op deze grond.

Tot slot is het nieuw dat de rechter niet meer over kan gaan tot herstel van de arbeidsovereenkomst van een ontslagen stichtingsbestuurder. Een bestuurder moet immers het vertrouwen genieten van het intern toezicht.

Al met al leiden de wijzigingen niet tot directe acties maar dienen ze wel worden meegenomen bij de volgende keer dat de statuten onder de loep worden gehouden.